column

‘Dit zijn niet mijn woorden’

Geschreven door Henk Steenhuis op 16 april 2020. Gepost in categorie column.

“Wat is de verwachte impact van jouw film?” Onlangs vroeg een kennis van mij subsidie aan voor het maken van een documentaire. Daar stuitte zij op deze vraag. Varianten ervan kende ze. “Twintig jaar geleden moest ik ook aangeven wat de impact van mijn film zou zijn,” zei ze. “Toen wilde de commissie weten wat de betekenis van mijn film zou zijn, nu waren ze benieuwd naar het aantal toeschouwers dat ik verwachtte.”

Inleiding
Deze anekdote vangt het project Welkom in Bubbelonië, waar ik afgelopen jaren samen met SBI en Instituut Gak aan werkte, prachtig samen. Impact, ontleend aan het Engels, betekent oorspronkelijk ‘krachtige inwerking’. Maar ook het Engels leende dit begrip, dit keer uit het Latijn, waar ‘impactus’ van ‘impingere’ komt, dat ‘inslaan, stoten tegen’ betekent. Niet zo gek dus dat de subsidieverstrekkers vroeger naar de mogelijke krachtige inwerking van een te maken film vroegen. Het begrip impact is langzaam overgegaan van een kwalitatieve term naar een kwantitatieve term, alsof ze in dienst zijn komen te staan van een neoliberale, op winst en meetbaarheid gerichte economie.

Wat voor impact geldt, zo ontdekte ik, geldt op een enigszins vergelijkbare wijze voor patiënt, cliënt, concurrentie, selectie, prestatie, rendement, stress, druk, flexibel, vitaliteit, inzetbaarheid. En voor nog honderden andere, veelgebruikte woorden die afgelopen decennia opgeschoven zijn in betekenis. Toen ik op dit soort veranderende termen stuitte, begon ik me af te vragen wat deze ontwikkeling over onze taal én over ons zegt. Volgens voormalig Denker des Vaderlands, René Gude, gebruiken we taal in vier sferen. Zo kletsen we thuis, met vrienden en familie – de privésfeer. Met woorden doen we bijvoorbeeld zaken op ons werk – de private sfeer. We overleggen of belijden onze overtuigingen in openbare ruimtes – de publieke sfeer. En we debatteren in de politiek – de politieke sfeer. Gude sprak in dit verband over de vier P’s waarin wij taal gebruiken. Zouden verschuivingen zoals met het woord ‘impact’ kunnen duiden op een opmars van een financiële taal in een niet-financiële wereld? Zou dat een teken kunnen zijn van een private sector met territoriumdrift?

Patiënt & cliënt
Een bevriende arts beklaagde zich onlangs over de assertieve burgers die hij in zijn spreekkamer krijgt. ‘Ze weten al wat ze hebben en willen van alles van mij. Nee, niet willen, eisen.’ Ik knikte. ‘Weet je hoe dat komt?’ vroeg hij. Ik haalde mijn wenkbrauwen op. ‘Omdat wij onze patiënten cliënten zijn gaan noemen.’ Een patiënt, zo legde hij mij uit, was iemand die medische hulp nodig heeft, maar zijn lijden wel geduldig droeg – denk aan het Engelse patience, dat geduld betekent. Hij komt bij de professional in de hoop op genezing. Cliënt heeft met klant te maken, en die klant is een koning die zelf kan kiezen waar hij zijn zorg wil inkopen. Waarom zou hij geduldig moeten zijn? Het woord ‘cliënt’ is typisch zo’n woord uit de private sfeer, dat zich nu ook heeft genesteld in de gezondheidszorg, van oudsher een publieke instelling. En in de gezondheidssfeer verspreidt het woord ‘cliënt’ zijn private kenmerken, waardoor mijn vriend het ‘logisch’ noemde dat de patiënt een assertieve burger geworden is.

Het is geen toeval dat met ‘patiënt’ en ‘cliënt’ verschillende sferen botsen. Want vanaf het moment dat oud-Philips-topman Wisse Dekker in 1987 het baanbrekende, neoliberale advies gaf meer concurrentie tussen zorgverzekeraars en artsen toe staan is de publieke overheidszorg steeds privater geworden. Dekker wist vast dat het woord ‘concurrent’ uit het Latijn naar ons toe is gesneld. Maar ik betwijfel of hij wist dat het werkwoord currere rennen betekende. En ik denk zeker niet dat hij ooit voor ogen heeft gehad dat de zorg door de privatisering zoveel harder moest gaan rennen als afgelopen decennia, met alle onvrede en uitval als gevolg. De politieke besluiten over onze gezondheidszorg uit de jaren tachtig bewerkstelligden een mentaliteitsverandering, die zich nu openbaart in onze woordkeuze.

Concurrentie & selectie
Wisse Dekker introduceerde concurrentie tussen zorgverzekeraars en artsen. Wij promoten het woord zelf in de rest van de maatschappij, bijvoorbeeld in spelletjes van onze kinderen: hockey, voetbal. Jaren geleden stelde René Gude al dat we ‘doorgeschoten individualisten’ geworden zijn. Gude pleitte voor ‘eerherstel voor het collectief’. “Competitie,” zo zei Gude, “is inmiddels onze eerste natuur, coöperatie is naar de tweede plaats teruggezakt.” Om deze competitie in Nederland te winnen, selecteren we van jongs af aan: voetballers, hockeyers worden vanaf zes, zeven jaar uit een team – een collectief – geplukt omdat ze individueel ergens in uitblinken, meestal een technisch iets, soms omdat ze fysiek sterk zijn, eigenlijk wat voorlopen op leeftijdgenoten. Dat ze uitgekozen worden omdat ze door coöperatie met anderen het collectief sterker maken, heb ik nog nooit gehoord. Het woord coöperatie is ontleend aan het Latijn, het is een afleiding van het werkwoord cooperārī ‘samenwerken’. Dat is mooi, buitengewoon noodzakelijk in een elftal, maar wil je geselecteerd worden voor de jeugd van Ajax, dan zul je moeten uitblinken.

Selectie komt van het Latijnse werkwoord sēligere dat ‘weghalen, uitkiezen’ betekent. In Nederland selecteren we kinderen eerst binnen hun eigen club; rond een jaar of zes kwam mijn jongste zoon in zijn eerste selectieteam terecht. En wat doe je als ouder? Tekende ik protest aan? Wel inwendig, wel tegen mijn vrouw, maar niet tegen mijn zoon. Ik keek wel uit. Later staan er mannen in gewatteerde jassen met blocnotes en potloden in de hand langs de lijn om de getalenteerden uit hun vertrouwde omgeving weg te halen in de hoop op individueel succes bij een professionele club. Maar er lijkt zich nu een omslag af te tekenen in ons denken over selecties. Het begon bij de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond(KNHB), die haar jeugdige hockeyers niet langer aan selectietrainingen wil blootstellen, omdat dit “tot te veel stress bij de sportende jeugd” leidt. Een jaar later volgde de KNVB, die in 2019 stelde dat jonge voetballers misschien wel meer plezier in hun sport beleven, en Het is geen toeval dat met ‘patiënt’ en ‘cliënt’ verschillende sferen botsen. Jaren geleden stelde René Gude al dat we ‘doorgeschoten individualisten’ geworden zijn. hun talenten beter ontwikkelen als ze tot ongeveer hun twaalfde jaar allemaal evenveel aandacht krijgen. Bovendien brengt de selectie veel stress met zich mee. De bonden zetten nu vraagtekens bij de selectiecultuur. Begrijpelijk. Gude: “De individuele winnaar neemt alles en is gelukkig, maar de verliezer – vaak dezelfde persoon, maar iets later – heeft niets en wordt treurig.” Van de 3600 kinderen die nu bij een betaald-voetbalopleiding spelen, wordt ongeveer 1 op de 50 uiteindelijk profvoetballer. De rest keert terug naar hun club of stopt met voetballen. Concurrentie en selectie hebben ervoor gezorgd voor jeugdopleidingen waar 19 van de 20 kinderen falen. Onderzoeker Tim Choy noemt deze jeugdopleidingen daarom “teleurstellingenfabrieken”.

Stress & druk
Hoeveel teleurstellingenfabrieken hebben we met elkaar opgericht? Onze jeugd en onze jongeren worden langzamerhand erg onzeker of ze wel goed genoeg zijn: uit diverse onderzoeken afgelopen jaren blijkt dat zo’n driekwart van hen last heeft van faalangst, stress en burn-out klachten. Is dat verwonderlijk als er vanaf je jeugd geselecteerd wordt op individuele excellentie? In 2018 verscheen het essay ‘Over bezorgd; Maatschappelijke verwachtingen en mentale druk onder jongvolwassenen’ van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS). Daarin roept de RVS op beleidsmakers, werkgevers en onderwijsinstellingen ‘prestaties’ van jongeren minder eenzijdig te beoordelen. In het essay geeft de RVS het voorbeeld van Daan (20): “Mijn familie heeft allemaal universitaire opleidingen gedaan. Dat ik vmbo deed, vonden ze eigenlijk te laag. Ik voelde de druk van mijn omgeving op m’n schouders.”

‘Druk’, het is een oud woord. In het Middelnederlands gebruikten we ‘druc’ vooral als synoniem voor ‘angst, kwelling, droefheid.’ Hetzelfde geldt voor ‘stress’, dat van het Oudfranse ‘destresse’ komt en eveneens angst betekent. Stress en druk – angst dus – ontstaat bij kinderen en jongvolwassenen vanwege de prestatiedruk. Als we een synoniem zoeken voor prestatiedruk komt prestatiekwelling of prestatie-angst het meest in de buurt. Dat maakt de oproep van de KNHB en de RVS al een stuk logischer: wie wil de jeugd nou kwellen met angst?

Prestatie
Er zijn weinig woorden die zo onveranderlijk schijnen als ‘prestatie’. Goed, ‘prestatie’ stond vroeger ook voor ‘belasting’, te voldoen in geld, in natura of door het verrichten van heerendiensten. Maar verder betekent het woord al eeuwen ‘datgene wat iemand verricht of waartoe hij in staat is.’ Niets nieuws onder de zon. Of toch wel? Bij nader inzien blijkt de functie van het woord spectaculair veranderd. Op de prachtige site Delpher.nl kun je onderzoeken hoe vaak een woord afgelopen eeuwen is gebruikt, bijvoorbeeld in kranten. Dat gebruik stijgt meestal flink, maar ‘prestatie’ presteert buitengewoon: in de 18e eeuw komen we het 29 keer in kranten tegen, in de 20ste eeuw 400838 keer. Dan blijkt het woord ook nog eens uitermate geschikt om verbindingen aan te gaan: prestatiemodel, topprestatie, wanprestatie, tegenprestatie, prestatieloon of prestatiesport – allemaal woorden die in de 18e eeuw de krant nog moesten halen. Net als ‘prestatiedruk’. De veranderde functie van ‘prestatie’ symboliseert hoezeer wij in een prestatiemaatschappij zijn terechtgekomen. Ook dat benadrukt het essay van de RVS: “Bij een peiling onder studenten van de Hogeschool Windesheim blijkt dat 62% van de studenten prestatiedruk in het dagelijks leven ervaart (Dopmeijer 2017).” Verderop: “Volgens een peiling uit het 1V-Jongerenpanel ervaart 78% van de jongeren tot 24 jaar op hun werk of daarbuiten prestatiedruk (1V-Jongerenpanel in RIVM 2018a).” Die selectietrainingen van onze pupillen kunnen we afschaffen, maar wat doen we met deze jongeren? Hun examens of beoordelingen afschaffen? Lastig. Want degenen die je schuldig zou kunnen noemen aan deze prestatieangst lijden er zelf ook aan. Neem schoolbestuurders. Zij moeten de opleidingen rendabel maken, maar wat is dat rendement waard als je studenten al half opgebrand zijn tegen de tijd dat ze beginnen te werken? En werkgevers, die worden eveneens afgerekend via harde prestatie- en verantwoordingseisen. Gaan we daar wat aan doen, of wachten we op een volgend rapport, dat gaat over dertigers die lijden aan stress en prestatiedruk? En dan vervolgens op een essay over veertigers of vijftigers? Of beseffen we dat we hier op een collectief zingevingsprobleem stuiten? Dat zingevingsprobleem heeft weinig te maken met individuele uitvallers, maar met een maatschappij die onze burgers van jong tot oud te veel onder druk zet, met angst opzadelt. Resultaat: een prestatiemaatschappij die juist op het gebied van levenskunst ondermaats presteert.

Niet mijn woorden
Tijdens mijn onderzoek naar deze veranderende taal en de rol die taal speelt bij de manier waarop wij ons leven zin geven, heb ik verschillende experimenten gedaan. Een daarvan was met studenten en docenten van ROC Friese Poort. Voor we begonnen probeerde ik de deelnemers het belang van deze exercitie uit te leggen. Het spreekt namelijk niet vanzelf dat een dag kletsen over woordjes zinnig kan zijn. Ik verwees daarbij naar grote namen. Naar de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, die opriep: ‘Durf te denken’. Kant had net zo goed kunnen zeggen: durf te formuleren, want denken gaat in woorden. Probeer het maar eens, even na te denken over ons land, en analyseer wat er in je hoofd gebeurt als je daarbij denkt aan het woord BV Nederland in plaats van het woord gemeenschap. En ik verwees naar een lezing die voormalig minister van onderwijs Jet Bussemaker in 2014 hield tijdens het symposium ‘Vaardigheden voor de toekomst’. Bussemaker brak destijds een lans voor onderwijs dat “creatieve, competente rebellen voortbrengt.”

Het kenmerk van een rebel is haar tegendraadsheid. Die uit een rebel in eerste instantie in woorden. Wil zo’n rebel zich kunnen verzetten tegen slaafse navolging, wil zij uit haar veilige bubbel kunnen breken, dan moet zij zich bewust worden van de woorden die zij gebruikt. Een creatieve, competente rebel is mondig, wat iets heel anders is dan assertief. Een rebel durft te denken, bijvoorbeeld over haar eigen toekomst, over de stress waarmee ze te maken zal krijgen, de werkdruk, de flexibiliteit die geëist zal worden, en die misschien wel meer van haar vergt dan ze wil – een rebel kan trouwens ook een hij zijn. Er gebeurde die dag bij ROC Friese Poort van allerlei moois, waarbij het mij opviel wat een prachtige gesprekken je met jongeren kunt voeren voor wie taal vaak abstract is en lastig – als je tenminste de tijd voor ze neemt. Eén meisje kon weinig met ons gesprek. Stress, concurrentie, prestatiemaatschappij? Ze haalde wat onverschillig maar ook verontschuldigend haar schouders op: “Ik heb hier geen mening over.” “Waarom niet,” vroeg ik. “Omdat ik er niets van weet.” “Waarom niet?” “Dit zijn gewoon niet mijn woorden.” “Interesseert iets als stress je dan niet?” “Niet echt.” “Waarom niet?” “Waarom wel? Ik moet gewoon zorgen dat ik niet gestrest raak.” “Waarom niet?” “Omdat ik dan niet meer zou kunnen werken. Dat lijkt me logisch.” In het verslag dat ik van de dag maakte, staat dit gesprekje niet vermeld. Het klonk ook weinig positief, en sloot naar mijn idee helemaal niet aan bij de wens van Bussemaker naar een creatieve, competente rebel.

Maar deze dialoog bleef wel in mijn hoofd hangen, en speelde op, toen ik in Groningen training gaf over zingeving en werk. We voerden een gesprek over ‘de digitale leiband’; hoe vast zitten wij aan de digitale middelen die ons omringen, en wat doet dat met onze gezonde zin in werk? Op een gegeven moment nam een vrouw van begin twintig het woord. Zij was MBO opgeleid, en was eigenlijk te jong op een leidinggevende functie terechtgekomen. De vrouw worstelde met de druk van digitale middelen. Ze sliep slecht, sliep wel in maar nadat ze tegen middernacht wakker werd, lag ze vervolgens uren te piekeren over de mensen die ze moest aansturen. Na wat omtrekkende bewegingen zei ze: “Elke nacht sta ik om twee uur op om mijn email te checken.” Het werd even stil in de zaal, wat moesten de anderen hierop zeggen? Een enkeling voelde de neiging te gaan lachen, maar hield zich in.‘Omdat ik dan toch niet meer kan slapen,’ vervolgde ze, ‘kan ik er net zo goed uit gaan. Soms zie ik dan ’s nachts al Wil zij uit haar veilige bubbel kunnen breken, dan moet zij zich bewust worden van de woorden die zij gebruikt. wie zich ziek gemeld heeft, kan maatregelen nemen, waardoor ik ’s ochtends wat langer kan uitslapen. Hoop ik dan, hè.’ Of zij hier al eens over gesproken had met haar leidinggevende. Nee. Met collega’s. Nee. Of zij het idee had dat haar slapeloosheid met prestatiedruk en stress te maken had. Ze haalde haar schouders op. Of ze niet bang was of dit op den duur haar inzetbaarheid zou schaden? Weer die schouders. Toen zag ik de MBO-leerling uit Emmeloord voor me: dit zijn niet haar woorden, dit is niet haar taal, hier kan zij niets over zeggen.

De grenzen van mijn taal
De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld, zei de twintigste-eeuwse Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein ooit. Wat de jonge studente van het ROC Friese Poort onmiskenbaar duidelijk maakte, was dat woorden als stress, concurrentie, selectie, prestatiedruk de grenzen van haar taal overschreden. En dan niet de grenzen van het Nederlands, maar de grenzen van de taal die zij in het dagelijks leven gebruikt. Dit was de taal van de private sfeer die haar privésfeer was binnengedrongen, en waar zij geen antwoord op wist te geven. Want het waren niet haar woorden. Dat zij zich hier op deze manier tegen verzette, was bij nader inzien wel degelijk rebels. Tijdens een lezing op een grote onderwijsconferentie in Den Haag noemde ik het voorbeeld van de studente in Emmeloord en de jonge vrouw met slapeloosheid uit Groningen. Ik vroeg de 300 aanwezige onderwijsmanagers wie met zijn studenten over dit soort begrippen praat. Wat betekent het voor een aanstaand verpleegster of zij met bewoners van een verpleegtehuis van doen heeft of met cliënten? Denken studenten erover na hoe flexibel zij zich willen opstellen als het gaat om werktijden? Hoe zij met de prestatiedruk omgaan? Hoeveel stress zij willen ondergaan? Welke keuzes willen zij maken? Weten zij eigenlijk dat er keuzes te maken zijn? Wie traint zijn studenten om op dit soort zingevingsvragen van de moderne samenleving een antwoord te leren vinden? Niemand stak zijn vinger op. Volgende vraag: wie vindt dat zijn studenten hierin getraind zouden moeten worden? Schoorvoetend gingen alle vingers de lucht in.

Willen we bijdragen aan de Bildung, de vorming van een volgende generatie dan zullen we ook moeten spreken over ons taalgebruik. Want scholen leiden dan wel op voor een samenleving die er nog niet is, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk graag benadrukt, we weten wel dat woorden de bouwstenen vormen van het verstand van een toekomstige generatie. En die bouwstenen zijn afgelopen decennia van kleur verschoten, ze zijn een stuk ‘blauwer’ geworden. Volgens Wittgenstein is taal niet langer slechts een afbeelding van de werkelijkheid, maar bevindt taal zich in de wereld, taal is iets wat we doen. Woorden krijgen pas betekenis in het gebruik ervan. Oftewel: met onze manier van spreken gaat een bepaalde werkelijkheid gepaard. Wittgenstein kwam zo aan het begin te staan van wat de linquistic turn in de filosofie genoemd wordt. Sinds Wittgenstein ontdekken we steeds meer dat de zoektocht naar waarheid begint bij het bestuderen van taalgebruik. Taal is niet alleen een middel om iets voor elkaar te krijgen, maar creëert zelf betekenis, ‘maakt’ een wereld. Afgelopen jaren heb ik gezien dat onder invloed van het neoliberalisme de taal van de private sfeer territoriumdrift heeft gekregen, en zijn invloed heeft uitgebreid naar de publieke sector, zoals we zagen met de verandering van patiënt naar cliënt.

Maar de invloed ging een stuk verder: de private taal drong de privésfeer binnen. Kinderen komen op jonge leeftijd in een selectiecultuur terecht. Even een waarschuwing: pas op dat u het u nu niet te makkelijk maakt, zoals ik zelf telkens weer geneigd ben te doen. Hoezeer ik ook mijn vraagtekens bij deze selectiecultuur zet, toen ik een half jaar geleden voor de gezelligheid nog even mijn jongste zoon naar school bracht, riep ik hem, terwijl ik weg fietste, na: ‘Succes hè, vandaag’. Succes voor een twaalfjarige op school? Had hij een citotoets? Nee, het was een normale dag. Ik vond het belachelijk wat ik deed. Een seconde later schoot door me heen: wat moest ik anders zeggen: veel plezier? Dat slaat ook nergens op, hij vindt er geen klap aan. Ik schrok van deze innerlijke monoloog, maar later dacht ik: dit is de werking van taal, succes wensen is vanzelfsprekend – letterlijk. En dat terwijl scholè in het Grieks vrije tijd, liefhebberij betekende. Hoe kan een kind dat van z’n zesde af met selecteren en presteren te maken krijgt bij zijn sport, op de basisschool al succes krijgt toegewenst door zijn vader, als student níet denken dat hij moet voldoen aan een prestatiecultuur? Wat blijkt dan? Veel studenten weten niets eigens te zeggen over stress; weten alleen dat ze stressbestendig moeten zijn van hun aanstaande werkgever. Net als jonge werknemers lijden zij onder de prestatiemaatschappij. En allen zitten vast in hun taal.

De kracht van woorden
Moeten we dan ingrijpen, als een heuse taalpolitie? Als een schoolmeester wijzen naar het neoliberalisme, dat ons heeft opgezadeld met een koloniserende private sector? Dat lijkt me simplistisch en zinloos. Telkens als ik in dit verhaal het woord ‘neoliberaal’ opschreef, deed ik dat met tegenzin. Niet omdat ik groot aanhanger ben van neoliberaal gedachtegoed, of de invloed ervan sinds de jaren tachtig zou willen bagatelliseren. Maar ik geloof niet dat we er wat mee opschieten deze taalverandering iemand/iets in de schoenen te schuiven. Het lost weinig op als we mokkend constateren dat de financiële wereld de privéwereld heeft gekoloniseerd. De laatste tijd hoor je ferme politici plotseling afscheid nemen van het neoliberalisme. Alsof dat hupperdepup zo even kan. Het neoliberalisme is geen politieke leus geweest die met een verkiezinkje of twee door een ander vervangen kan worden. Daarvoor heeft dit gedachtegoed veel te veel impact gehad. Het neoliberalisme heeft zich genesteld tot in de haarvaten van onze maatschappij, tot in ons gedrag, tot in onze woorden. Veel meer zin heeft het ons bewust te worden van het feit dat de vier verschillende sferen waarin wij taal gebruiken de laatste decennia sterk door elkaar zijn gaan lopen, en dat daarbij een van de sferen zijn invloed fiks heeft uitgebreid. Maar niet getreurd, als we ons hiervan bewust worden, kunnen we ons tot de tanden wapenen – met andere woorden. Ik heb tijdens lezingen het verschil tussen patiënt en cliënt ter sprake gebracht. Dat leidde verschillende keren tot een stortvloed aan woorden, omdat achter het gebruik van patiënt, cliënt, bewoner, of zelfs burger, totaal verschillende werelden schuilgingen. En patiënten vanuit hun hedendaagse mondigheid in bepaalde situaties zich juist prettiger voelden bij de betiteling cliënt.

We hebben managers voorgesteld niet langer te praten over het verzuim en de inzetbaarheid van human resource, maar over de uitval van medewerkers. De manager ontdekte dat alleen al het gebruik van andere terminologie de sfeer op de afdeling grondig veranderde. Ook jongeren met een praktische opleiding bleken uitstekend in staat gesprekken te voeren over het verschil tussen de stressbestendige werknemer waarop de werkgever zit te wachten, en de stress die zij zelf in hun leven willen ervaren. En kan er eigenlijk elke dag gepresteerd worden? Deze vraag stelden we in gesprekken met mensen uit alle leeftijdscategorieën. We hebben bestuurders van universiteiten gewezen op de oorspronkelijke betekenis van ‘rendement’, dat van het Franse rendre komt, dat teruggeven betekent. Wat is het werkelijke rendement van onderwijs? Wat geven we terug aan de samenleving als de ‘vrije’ schooltijd van jongeren voorbij is en ze aan de slag moeten? We vertelden freelancers dat flexibel in de middeleeuwen het punt aangaf waarop bomen knakten, terwijl het woord nu op hen van toepassing is. Moeten zij flexibel zijn totdat ze niet langer buigen maar knakken? Woorden zijn niet abstract, ze blijken hard en concreet. Schelden doet geen pijn, zeiden we vroeger op het schoolplein. Er is geen pedagoog meer te vinden die dat nog durft te beamen. Woorden zijn daden; in het Hebreeuws betekent het woord ‘dabar’ niet voor niets woord en daad tegelijk. De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld. Maar de mogelijkheden van de taal blijken grenzeloos. Wie mensen mondig weet te maken, maakt ze zelfbewust, geeft ze een mentaal paspoort waarmee ze op reis kunnen door de verschillende sferen van onze BV Nederland, of van onze maatschappij, of van onze samenleving.

DIT ARTIKEL ZAL DEEL UIT MAKEN VAN HET BOEK ‘TAALKRACHT; ANDERE WOORDEN ANDERE WERELDEN’, DAT ONDER REDACTIE VAN CHRISTIEN BRINKGREVE IN HET VOORJAAR VAN 2020 ZAL VERSCHIJNEN BIJ ISVW UITGEVERS.